De gedachte “als je hier bent ben je hier en als je daar bent ben je daar” lijkt op het eerste gezicht een futiele tautologie, een onschuldige kringloop van woorden die niets doet dan terugkeren naar zichzelf, maar wanneer je haar langzaam uit elkaar trekt als een sliert koud kauwgom die weigert los te laten, ontvouwt zich een beeld dat tegelijk helder en ontglippend is, een situatie waarin iemand – misschien jij, misschien een naamloos figuur dat slechts bestaat bij gratie van onze verbeelding – op een verlaten plein staat waar de ochtendmist net begint op te tillen, terwijl de tegels onder zijn voeten nog vochtig zijn van een nacht die meer vragen dan antwoorden achterliet, en waarin het besef indaalt dat elke plek waar een lichaam zich bevindt een dwingende waarheid uitspreekt, een waarheid die nooit gecompliceerd lijkt tot je haar probeert te negeren, want dan verandert ze in een spiegel zonder glas, een echo zonder bron, een voortdurend fluisteren dat zegt dat aanwezigheid onontkoombaar is.
In dat ene beeld staat de figuur stil, misschien niet omdat hij dat wil, maar omdat stilstand het enige is dat hem in staat stelt de dunne scheidslijn te voelen tussen hier en daar, tussen wat is en wat slechts een belofte van een volgende stap vormt, en terwijl hij daar staat, met zijn handen diep in zijn zakken, de kraag van zijn jas half omhoog omdat een koele wind de voorkeur geeft om diagonaal over het plein te snijden, begint hij te begrijpen dat elke locatie – hoe triviaal ook – een knooppunt is van talloze paden, gedachten en mogelijkheden die zich in spiralen om hem heen wikkelen, als straten in een stad die zich eindeloos uitbreidt zonder dat iemand ooit het oorspronkelijke centrum heeft kunnen aanwijzen, een stad waarin elke beweging een kleine migratie is, elke draai van het hoofd een verschuiving van perspectief, elke stap een verplaatsing in een universum dat zich niets aantrekt van onze drang naar richting.
En toch, hoe verder hij denkt, hoe sterker de paradox wordt die zich aandient, want het besef dat je altijd precies bent waar je bent – en nooit op de plek die je tegelijkertijd in gedachten probeert te bewonen – knaagt op een manier die niet pijnlijk is, maar wel hardnekkig, als een draad die ergens achter je blijft haken zonder dat je weet waar, waardoor elke beweging even aarzelend als noodzakelijk wordt, en hij vraagt zich af of die paradox misschien niet de kern vormt van ons menselijk verlangen naar verplaatsing, naar vooruitgang, naar ontsnapping, alsof het voortdurend verschuiven van hier naar daar een soort rite is, een ritueel dat we uitvoeren om ons bestaan betekenis te geven.
Het labyrintische pad van zijn gedachten leidt hem tot een situatie die bijna absurd aandoet: stel dat iemand zou proberen tegelijkertijd op twee plaatsen te zijn, niet in de vorm van een metaforische aanwezigheid, maar letterlijk, fysiek, tastbaar, alsof het lichaam zich zou kunnen splitsen als een waterdruppel die van een blad rolt, dan zou hij tot de ontdekking komen dat het onmogelijk is, dat de wereld weigert die dubbelheid te accepteren, dat ruimte een strenge maar rechtvaardige grens trekt, en precies in dat falen ontstaat een onverwachte vorm van opluchting, want de beperking is ook een rustpunt, een anker in een overstroomde zee van mogelijke routes.
Zo vormt zich uiteindelijk een oplossing die geen oplossing wil zijn, maar eerder een kalm inzicht: de figuur ademt diep in, tilt zijn hoofd iets op en aanvaardt dat hier geen gevangenis is maar een tijdelijk thuis, een vertrekpunt dat altijd mag worden verlaten maar nooit kan worden ontkend, en terwijl hij de eerste stap zet richting een straat die langzaam uit het licht van de ochtendmist emergeert, beseft hij dat daar niets anders is dan het toekomstige hier, en dat elke verplaatsing een reis is door een reeks momenten waarin de wereld steeds opnieuw bevestigt dat bestaan een opeenvolging is van plekken waarin we even verblijven – en niets meer dan dat.


Leave a Reply