Oud Papier.

De wandeling naar de oud papier bak is kort genoeg om achteloos te noemen, maar lang genoeg om de oude krant onder mijn arm langzaam zwaarder te laten worden, alsof het papier, dat ooit licht en ritselend was toen het nog nieuws droeg dat dringend leek, zich nu heeft gevuld met een soort restgewicht, een bezinksel van dagen die zijn voorbijgegaan en zich in vezels hebben vastgezet, zodat ik bij de container aankom met het gevoel dat ik niet zomaar cellulose en inkt vervoer, maar een compacte stapel tijd die ik hoop te laten verdwijnen in een opening die daarvoor bedoeld is.

Al van een afstand zie ik het deksel iets schuin staan, niet open genoeg om uitnodigend te zijn maar ook niet volledig gesloten, en wanneer ik het optil openbaart zich een compacte massa kranten, tijdschriften, kartonnen dozen die hun oorspronkelijke vorm al hebben opgegeven en zich in een samengedrukte laag tegen elkaar aan vleien, alsof ze in hun laatste gezamenlijke gebaar besloten hebben geen millimeter ruimte meer prijs te geven, waardoor mijn eigen krant, die ik nog stevig vasthoud, plotseling een indringer lijkt die te laat arriveert op een feest dat al overvol is.

Ik probeer het toch, duw voorzichtig eerst, dan iets steviger, waarbij het papier onder mijn hand kraakt met een droog protest dat zich mengt met het schurende geluid van karton tegen plastic, en heel even lijkt er beweging te ontstaan, een kleine verzakking, een illusie van ruimte die mij aanmoedigt om nog een fractie meer kracht te zetten, maar de massa herpakt zich, veert terug met koppige traagheid, en mijn krant buigt zich in een ongewilde boog, zijn hoeken kreukelen, de foto’s op de voorpagina vervormen tot abstracte vlekken, alsof de wereld die erin werd afgebeeld nu zelf wordt samengedrukt tot iets onleesbaars.

Er is een moment van aarzeling dat zich uitstrekt, veel langer dan de handeling rechtvaardigt, waarin ik overweeg of ik moet blijven duwen tot de structuur het begeeft, of dat ik moet accepteren dat er eenvoudigweg geen plaats is, dat zelfs een object dat bedoeld is om te verdwijnen soms moet wachten op een volgende gelegenheid, en in die aarzeling verschuift de scène van praktisch naar bijna plechtig, omdat ik besef dat het niet alleen gaat om afval, maar om de confrontatie met een grens die zich niet laat negeren zonder zichtbare sporen achter te laten.

Uiteindelijk trek ik de krant terug, zijn randen nu zachter, minder scherp dan toen ik vertrok, en ik sla hem een keer dubbel, niet uit efficiëntie maar uit een soort berusting, waardoor hij compacter wordt, minder ambitieus in zijn omvang, en bij een tweede poging glijdt hij, met een onverwacht zachte zucht van papier tegen papier, tussen twee lagen in, alsof de massa hem na enig aandringen toch heeft geaccepteerd, niet door brute kracht maar door aanpassing, door het vermogen om zichzelf net genoeg te verkleinen om te passen.

Wanneer het deksel weer dichtvalt, blijft er niets spectaculairs achter, geen bewijs van de kleine worsteling behalve misschien de lichte trilling in mijn vingers, maar in dat onopvallende einde ligt een stille verschuiving besloten, een herinnering dat niet elke blokkade vraagt om meer druk, dat soms het buigen van randen en het herzien van vorm voldoende is om alsnog een plek te vinden in een ruimte die eerst onverbiddelijk leek.

Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder