Aanraken.

Het begint als een lichte rimpeling, een haast ongrijpbare verschuiving in het gevoel waarmee ik mijn eigen huid lees. Een fluistering van binnenuit. Mijn neus – dat vertrouwde middelpunt van mijn gezicht – lijkt plots te krimpen, alsof hij zich terugtrekt in een dieper gebied waar aanraking minder zeker is. Het is niet dat hij fysiek verdwijnt; het is eerder een verplaatsing van betekenis. Een orgaan dat ooit vanzelfsprekend aanwezig was, wordt nu een vraagteken dat zich onder mijn vingerkransen verbergt.

Elke keer dat ik hem aanraakte, dacht ik een vorm te bevestigen. Ik dacht dat tast een waarheid was, een soort ritueel van bevestiging. Maar hoe vaker mijn vingertoppen die huid verkenden, hoe meer het leek alsof mijn neus een eigen wil had, een interne beweging die zich onttrok aan meting en verwachting. De aanraking zelf werd vloeibaar. Wat eerst stevig voelde, werd zacht; wat eerst bekend was, werd vreemd. Alsof de ruimte tussen mijn vingers en mijn gezicht zich vulde met de echo van eerdere aanrakingen, die nu als schaduwen rondzweefden.

Daar ontstaat de vraag: hoeveel van mijn lichaam is werkelijk van mij, en hoeveel wordt mij slechts even toegestaan? Mijn neus voelt kleiner, maar misschien is het mijn waarneming die verschuift. Misschien is het de herinnering van elke aanraking – de cirkelende vinger, de aarzelende druk, de zachte glijbeweging – die mijn huid hertekent. Mijn lichaam is een archief, maar een onbetrouwbaar archief. Soms herschrijft het zichzelf zonder toestemming.

Wanneer ik een vinger in mijn neus stak, was het nooit alleen een fysieke handeling. Het was een onderzoek, een soort cartografie van binnenuit. Ik vond geen geheimen, alleen de merkwaardige wetenschap dat de binnenkant zich anders presenteert dan de buitenkant suggereert. Die kleine holte voelde constant, voorspelbaar, maar de buitenkant, de vorm die ik aan de wereld toon, lijkt los te raken van wat ik denk te kennen. De vergelijking tussen binnen en buiten wordt ontwricht. Er zit een ongemak in die discrepantie – een klein maar hardnekkig gevoel dat mijn eigen gezicht mij misleidt.

Dan is er het aaien, die meest tedere vorm van aanraken. Een gebaar dat ik reserveer voor kwetsbare dieren en zeldzame momenten van zelfverzoening. Wanneer ik mijn neus zo beroerde, was het met een soort zachtaardige acceptatie. Maar zelfs dan leek hij kleiner, schuchter bijna, alsof hij zich terugtrok voor de mogelijkheid van doorgronding. Alsof de huid zich even opkrulde om onder mijn vingertoppen vandaan te glijden. In dat kleine verschuiven schuilt een onverklaarbare melancholie.

Misschien ligt de kern van deze emotie niet in het fysieke, maar in het verlangen om mijzelf te voelen zoals ik denk dat ik ben. Het verlangen naar een vaste maat, een constante vorm, een herkenning in de spiegel van mijn eigen zintuigen. Maar het lichaam leeft – en leeft betekent veranderen, ademen, krimpen, zwellen, zich terugtrekken. Wat ik voel, is geen anatomie maar een fluïde zelfbeeld. En mijn neus, hoe klein hij ook lijkt, wordt plots een symbool. Een baken van de onzekerheid dat zelfs het meest zichtbare deel van mij niet volledig te vangen is.

Er is een vreemde tederheid in dat verlies van zekerheid. Een zachte droefheid die niet pijnlijk is, maar wel diep. Ik leer opnieuw luisteren naar de huid, naar de stille verplaatsingen in mijn eigen gelaat. Misschien is mijn neus niet kleiner geworden. Misschien ben ik gegroeid in het waarnemen van zijn kwetsbaarheid. Misschien strekt de wereld zich uit in de afstand tussen mijn vingertop en dat kleine stuk huid, en is het precies daar dat ik iets vind wat dieper gaat dan vorm: het besef dat ik mezelf nooit volledig kan vasthouden, maar wel steeds opnieuw aanraken.



Geef een reactie

Omhoog ↑

nl_NLNederlands

Ontdek meer van Mijn NiemandsLand

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder